Logo ZN Zorgverzekeraars Nederland

Inleiding en opdracht van de commissie

Het bestuur van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) heeft op 14 maart 2001 aan de commissie Health Insurance Governance de opdracht gegeven om advies uit te brengen over de eisen die gesteld moeten en mogen worden aan zorgverzekeraars over hun interne en externe verantwoording en hierbij aansluitend over de betekenis voor de besturing van en het toezicht op de zorgverzekeraar.

Er zijn twee aanleidingen voor de instelling van de commissie. De eerste aanleiding is de maatschappelijke ontwikkeling met betrekking tot het vraagstuk van corporate governance en de tweede aanleiding is het advies van College voor zorgverzekeringen (CVZ) aan de Minister over goed verzekeraarschap. Internationaal is ruim tien jaren geleden de discussie over ‘corporate governance’ van ondernemingen op gang gekomen. Het begrip ‘governance’ staat voor een samenhangend geheel van het besturen van
een organisatie, het toezicht daarop en de verantwoording over het beleid, het bestuur en het toezicht.

De governance-gedachte 
De governance-gedachte richtte zich in eerste instantie vooral op het afleggen van verantwoording aan de eigenaars/kapitaalschaffers van de onderneming (de aandeelhouders/‘shareholders’). Later is het begrip verbreed naar verantwoording aan meerdere belanghebbenden (‘stakeholders’), voor zover deze daartoe een legitieme grond hebben. Ook de focus van verantwoording verbreedt zich; het beperkt zich niet meer alleen tot de financiële resultaten, maar richt zich ook op geleverde
prestaties en op bijvoorbeeld milieueffecten. 

In toenemende mate worden ondernemingen niet alleen gezien als organisaties met winstoogmerk gericht op de eigen continuïteit. Zij hebben ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid waarover zij rekening en verantwoording moeten afleggen. Door de internationalisering en schaalvergroting in het bedrijfsleven neemt de invloed van grote ondernemingen op het maatschappelijk leven toe. Een aantal incidenten in de afgelopen jaren droeg bij aan de behoefte tot ontwikkeling van normen voor goed bestuur, adequaat toezicht, en interne en externe verantwoording. Die normenontwikkeling is niet alleen van maatschappelijk belang, maar is ook in het belang van de organisaties en van bestuurders en toezichthouders zelf. Hierdoor ontstaan duidelijkheid en houvast voor de wijze waarop zij hun werk moeten doen en waarover zij verantwoording hebben af te leggen.

Vanaf 1992 zijn in verschillende landen, allereerst in het Verenigd Koninkrijk (Cadbury-rapport), aanbevelingen gedaan over corporate governance. In Nederland heeft de commissie-Peters in 1997 dergelijke aanbevelingen gedaan voor beursgenoteerde vennootschappen. Inmiddels zijn door diverse commissies aanbevelingen over corporate governance ontwikkeld voor woningbouwcorporaties, de kunstensector, zorgorganisaties en onderwijsinstellingen in het hoger beroepsonderwijs.

Zorgverzekeraars Nederland sluit bij deze maatschappelijke ontwikkeling aan door de instelling van deze commissie Health Insurance Governance. Hoewel de corporate governance-uitgangspunten algemeen geldend zijn, vertonen verschillende sectoren ook specifieke vraagstukken. Voor de zorgverzekeraars onderscheidt het governance-vraagstuk zich ten opzichte van de andere sectoren met name op de volgende aspecten:

  • Binnen de branche van zorgverzekeraars is sprake van diversiteit aan rechtspersonen (Onderlinge Waarborgmaatschappij (OWM), stichting, Naamloze Vennootschap (NV)/Besloten Vennootschap (BV). In andere branches is overwegend sprake van één type rechtspersoon (hetzij NV/BV dan wel stichting).
  • Het vraagstuk van ‘publiek/privaat’ is binnen de zorgverzekeraarsbranche pregnant aanwezig. Ook is er sprake van profit én non-profitorganisaties. In andere branches gaat het om profit of non-profit.
  • Aanbevelingen over ‘health insurance governance’ worden gedaan in een fase waarin politieke onduidelijkheid bestaat over het zorg- en verzekeringsstelsel. In het geval van de woningbouwcorporaties bijvoorbeeld waren de aanbevelingen voor corporate governance een uitvloeisel van een duidelijke politieke richting en maatschappelijke consensus over de inrichting van de sociale woningbouw na de bruteringsoperatie. 

De tweede aanleiding voor de instelling van de commissie is de adviesaanvraag van de Minister van Volkgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) d.d. 17 februari 2000 aan het CVZ over de zogenaamde ‘Uitvoeringstoets' en het inmiddels door CVZ uitgebrachte advies ‘Goed verzekeraarschap en toelatingsvoorwaarden’ d.d. 26 oktober 2000. Bij VWS bestaat het voornemen om nadere eisen te stellen aan de besturing, besluitvorming en inrichting van ziekenfondsen in verband met het feit dat de meeste ziekenfondsen –als afzonderlijke rechtspersoon– inmiddels onderdeel zijn van grotere concerns die ook andere functies vervullen dan de uitvoering van de Ziekenfondswet.

Naar aanleiding van een beperkt vooronderzoek zijn door het bestuur van ZN enkele uitgangspunten en randvoorwaarden gesteld aan de uitvoering van de opdracht:

  • Aangezien nog niet bekend is welk zorgstelsel in de toekomst wordt ingevoerd, wordt uitgegaan van het huidige stelsel.
  • Er moet worden ingaan op de vraagstukken die door VWS en CVZ zijn opgeworpen ten aanzien van ‘governance’ voor ziekenfondsen die opereren in een breder organisatorisch verband.
  • Er worden in principe geen uitspraken gedaan over het stelsel van extern toezicht. Dit wordt gezien als een politiek en wettelijk gegeven.
  • De besturing-, toezicht- en verantwoordingsstructuur van zorgkantoren wordt in concreto en in zijn uitwerking buiten beschouwing gelaten. Op deze vier uitgangspunten en randvoorwaarden gaat de commissie nader in. 

 

Ad. 1
De commissie neemt geen standpunt in over het (gewenste of beste) stelsel. De commissie is daarom –mede gegeven de gestelde eis vanuit ZN– uitgegaan van het huidige verzekeringsstelsel. Wel is de commissie van mening dat de gedragsregels en aanbevelingen duurzaam en stelselneutraal zijn.

Ad. 2
Verwacht mag dus worden dat de commissie in ieder geval ingaat op de aspecten die in dat verband door VWS en CVZ zijn besproken. In concreto gaat het om: 

  1. De spelregels voor bestuur en intern toezicht op ziekenfondsen binnen concernverband en de relatie naar leden (OWM) en/of aandeelhouders (NV).
  2. De spelregels voor verantwoording door ziekenfondsen die tegelijkertijd in een gemengd publiek/private markt moeten opereren.
  3. De eisen die gesteld moeten worden aan bestuur, intern toezicht en
    verantwoording van ‘lege’ ziekenfondsen. 

De eisen voor governance die aan ziekenfondsen (functionerend in een breder organisatorisch verband) gesteld moeten worden dienen dus in ieder geval aan de orde te komen. Overigens hebben CVZ, College toezicht zorgverzekeringen (CTZ) en ZN als vervolg op genoemde uitvoeringstoets reeds enkele uitvoeringsacties ondernomen (bijvoorbeeld de ontwikkeling van een ‘uitvoeringsverslag’ en een ‘rechtmatigheidverslag’).

De commissie neemt als vertrekpunt het (zorg)verzekeringsbedrijf als geïntegreerd bedrijf en de betekenis voor de interne besturing, toezicht en verantwoording rekening waarbij publieke eisen met betrekking tot toezicht en verantwoording gerespecteerd worden.

Ad. 3
In verband hiermee richt de commissie zich vooral op het interne toezicht en de interne en externe verantwoording. Er worden alleen algemene uitspraken over het externe toezicht gedaan.

Ad. 4
Het rapport richt zich op zorgverzekeraars die werkzaam zijn in het zogenaamde tweede en derde compartiment. Zorgverzekeraars zijn ook uitvoeringsorgaan in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en een aantal is gemandateerd als AWBZ-zorgkantoor. Het huidige ‘governance-stelsel’ rondom zorgkantoren is bestuurlijk en juridisch onduidelijk. Bovendien is politiek een en ander in beweging tegen de achtergrond van de plannen tot herziening van de AWBZ (Zicht op Zorg). De positie van de zorgkantoren is conform de opdracht van ZN niet meegenomen.

Tot slot
Dit rapport, het advies en de aanbevelingen zijn gericht op zorgverzekeraars, die zowel een ziekenfondsverzekering als een particuliere zorgverzekering aanbieden; met andere woorden op zorgverzekeraars die zich op het publieke én het private terrein begeven. Een zorgverzekeraar die alleen de ziekenfondsfunctie uitvoert komt niet voor; alle ziekenfondsen hebben immers ook een aanvullende (particuliere) verzekering.

Er zijn binnen het verband van ZN ook enkele verzekeraars die alleen een particuliere zorgverzekering aanbieden en dus niet tevens de Ziekenfondswet uitvoeren. Veelal wordt deze particuliere zorgverzekering ook binnen één werkmaatschappij met de schadeverzekeringen uitgevoerd. Hoewel een aantal algemeen aanvaarde regels voor corporate governance ook voor deze verzekeraars gelden, zijn de adviezen en aanbevelingen niet of in mindere mate op hen van toepassing; dit hangt af van de context. Specifiek gaat de commissie hier op in bij de aanbevelingen. De adviezen en aanbevelingen van de commissie hebben dus vooral betrekking op zorgverzekeraars die de publieke én private ziektekostenverzekeringen uitvoeren.

<<Terug naar overzicht