geboortezorg-81ceb31b-1109-4d71-90e9-436678985f4d.jpg
Eerstelijnszorg 13-06-2018

Intensieve samenwerking bij geboortezorg goed voor kwaliteit

Zorgverleners die rond zwangerschap en geboorte samenwerken in een zogenoemde Integrale Geboortezorg Organisatie (IGO) hebben zeer korte lijnen over en weer, waardoor de kwaliteit van zorg zo optimaal mogelijk is. “Zo bespreken de verloskundigen een keer per week met de gynaecologen alle nieuwe patiënten. Daarbij kijken we wat de beste zorg is voor elke zwangere, waarbij uiteraard de wensen van de zwangere in meegenomen worden. Dat komt in een digitaal ketendossier waar alle betrokken zorgverleners in kunnen”, vertelt Marlies Bartels, verloskundige bij het Centrum voor verloskunde ROOS in Roosendaal. “Je weet dan in een oogopslag wat er met de zwangere gebeurt, welke onderzoeken hebben plaatsgevonden en wat de resultaten daarvan zijn.”

Het Centrum waar Bartels deel van uitmaakt, is aangesloten bij Qocon. Dat is zo’n IGO, die opereert als één rechtspersoon, een coöperatie in dit geval. Bij Qocon werken zelfstandige verloskundigenpraktijken, kraamzorgorganisaties, het Bravis ziekenhuis met gynaecologen, kinderartsen, klinisch verloskundigen en echocentra nauw met elkaar samen. Zorgprofessionals binnen een IGO maken gezamenlijk beleid rond geboortezorg binnen hun organisatie. Door goede samenwerking en respect voor elkaars ‘weten en kunnen’, is de zorg helemaal gericht op de individuele zwangere en haar kind.

Autonomie behouden
Een ander belangrijk voordeel van deze samenwerkingsvorm is dat er korte lijnen zijn tussen de zorgprofessionals. “Doordat je in één centrum zit, stap je heel makkelijk bij elkaar binnen. Bij pathologie kunnen de gynaecologen meer dan wij en als verloskundigen weten wij meer op fysiologisch en sociaal/emotioneel gebied.” Hier raakt Bartels een heel belangrijk punt bij het werken in een IGO. Ze stelt dat het respect hebben voor elkaars ‘weten en kunnen’ cruciaal is voor de goede samenwerking. “Daarnaast hebben we vóór de oprichting van de IGO heel goed met elkaar besproken wat we belangrijk vinden. Als verloskundigen willen we bijvoorbeeld onze autonomie behouden. We zijn dan ook niet in loondienst en hebben daardoor meer invloed op wat er gebeurt. We willen vooraan staan en meedenken.”

Groot vertrouwen tussen zorgverleners
Het fenomeen IGO is nog jong. Op dit moment zijn er zes IGO’s in ons land. “In de reguliere geboortezorg werken zorgverleners ook wel in een keten, van verloskundige, kraamverzorgende tot diverse zorgverleners in het ziekenhuis, maar ze hebben daarin een minder vergaande gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de zwangere en haar kind,” vertelt Shireen van den Broek, Zorginkoper Geboortezorg bij CZ. Bij een IGO is dat veel meer het geval. Daar maken de aangesloten professionals samen beleid, ze verdelen de taken, zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg en krijgen vaak een gezamenlijke vergoeding. “Die gezamenlijke vergoeding gaat via een integrale beleidsregel van de NZa die negen deelprestaties beslaat, van het eerste bezoek aan de verloskundige tot en met de nazorg. De IGO krijgt per cliënt per fase van het zorgtraject een bedrag, afhankelijk van de zorg die ze geleverd hebben. Dat bedrag kunnen ze zelf verdelen over de zorgverleners. Een groot vertrouwen tussen de zorgverleners is hierbij een belangrijke voorwaarde.” Het effect van deze manier van bekostiging is dat er meer ruimte is voor het belang van moeder en kind, want de zorgverleners hebben veel vrijheid om de zorg zo in te vullen als ze gezamenlijk als beste zorg zien. “De zorgverleners kijken wie het best geschikt is om welke zorg te verlenen die zoveel mogelijk gericht is op de individuele cliënt. Dat maakt de kwaliteit van de zorg beter.”

Aanlooptijd bij oprichting
Verloskundige Marlies Bartels vertelt dat IGO Qocon niet van de ene op de andere dag ontstaan is. “Sinds 2010 werken we in Roosendaal als verloskundigen al samen met de gynaecologen in het Centrum voor verloskunde ROOS. Dat deden we als eerste in Nederland. In 2015 volgden gesprekken met nog meer partijen over hoe we integrale geboortezorg nog beter vorm konden geven, wat uiteindelijk leidde tot oprichting van de coöperatie Qocon.” De oprichting ging niet vanzelf. Je moet kijken welke juridische rechtspersoon je wilt worden, wat voldoet voor de zorgverzekeraar en wat de fiscale gevolgen zijn. Het zijn allemaal kwesties waar je mee te maken krijgt.” Van den Broek van CZ voegt daar aan toe dat het invoeren van de integrale bekostiging ook veel inspanningen van  een IGO vergt. Aankomende IGO’s kunnen gebruik maken van een landelijke kennisbank van het College Perinatale Zorg. Startende IGO’s hoeven daardoor het wiel niet opnieuw uit te vinden.

Terugdringen babysterfte
Aanleiding voor het intensiever samenwerken tussen de verschillende zorgverleners rond geboortezorg is een rapport van de Stuurgroep Zwangerschap en Geboorte uit 2009. Daaruit bleek dat de babysterfte in Nederland in verhouding tot andere Europese landen hoog was, wat zou kunnen wijzen op het achterblijven van de kwaliteit van de zorg. De opdracht was duidelijk: dat moet beter. Een van de opdrachten aan alle betrokkenen bij geboortezorg was het verbeteren van de kwaliteit van zorg door het versterken van samenhang en communicatie tussen partijen in de geboortezorgketen. De afgelopen jaren is de babysterfte in Nederland gedaald, zo blijkt uit het rapport ‘Geboortezorg in Nederland’ dat begin dit jaar is gepubliceerd. De cijfers geven trends en ontwikkelingen in de geboortezorg weer, maar geven geen inzicht in de achterliggende oorzaken van die ontwikkelingen. De komende jaren zal daar door onderzoek steeds meer zicht op komen.