pillen medicijnen farmacie-f1a3a303-45dc-4c06-9ae9-69717e0f685b.jpg
Eerstelijnszorg 08-07-2019

Trombosediensten in Midden-Oost Nederland aan de slag met ingrijpende veranderingen trombosezorg

De trombosezorg in Nederland is volop in beweging sinds er zo’n tien jaar geleden een nieuw medicijn kwam. Sindsdien is er steeds minder vraag naar de oudere medicatie, de zogenoemde VKA’s. Daarmee staat onder meer het behoud van kennis over de oudere medicatie onder druk, terwijl er nog steeds patiënten gebruik maken van die middelen. Om de kennis rond de zorg van de oudere medicijnen te borgen is verandering nodig in de organisatie van de trombosezorg. Daarvoor moet nog veel gebeuren, maar het Regionaal Antistollingscentrum Midden-Oost Nederland (RAMO) is al goed op weg.

De oudere medicijnen werden door de specialist voorgeschreven en de regelmatige controles van de patiënten gebeurde via de trombosediensten. De nieuwe medicijnen, DOACS, worden voorgeschreven door een zorgverlener uit de eerste of tweede lijn en bloedprikken bij de trombosedienst is niet meer nodig. Door de komst van de deze nieuwe medicijnen is er inmiddels een afname van 15% van het aantal mensen dat de oudere medicatie gebruikt. Minder mensen laten dus bloed laten prikken bij de trombosediensten. Ook dit is een belangrijke reden waarom verandering nodig is rondom de totale antistollingszorg.

Zorg rond oudere medicijnen op een veilige manier borgen
Het Regionaal Antistollingscentrum Midden-Oost Nederland (RAMO) is een initiatief van de trombosediensten Apeldoorn, Deventer, Ede, Hilversum, Medlon, Tiel en Zwolle dat wordt begeleid door onafhankelijk kwartiermaker Gijs Tenthof. “Op antistollingsgebied is een bepaalde basiskennis nodig, aangevuld met uitbreiding van kennis die voorheen werd gehaald bij de trombosedienst of in het ziekenhuis bij de cardioloog of de internist. De hamvraag is: hoe gaan we op een veilige manier de kennis rond de VKA-zorg borgen en zorgen we tegelijkertijd voor een integrale aanpak voor alle antistollingsmedicatie? Het is daarbij van groot belang dat er in de hele keten goede afspraken gemaakt worden. Bijvoorbeeld over: wie schrijft voor, wie start de behandeling, wat moet er gebeuren bij overdracht van de tweede naar de eerste lijn, wie bewaakt dat, bij wie moet de patiënt terecht?”, licht Tenthof het probleem toe.

Trombosezorg dichter bij huis en minder belasting voor de patiënt
Het nieuwe antistollingscentrum RAMO (in oprichting) heeft de intentie om voor zowel patiënt als zorgverlener één aanspreekpunt te zijn voor inhoudelijke en logistieke vragen. Dan krijg je ook één regisseur in de keten die bewaakt dat alle afspraken op elkaar zijn afgestemd en dat de afspraken goed worden opgevolgd. In plaats van versnippering van kennis over oude medicijnen (VKA) en nieuwe medicijnen (DOAC) is er sprake van een integrale benadering van alle antistollingsmedicatie. Daarbij zorgt ons antistollingscentrum straks dat de afnemende VKA-zorg geborgd blijft. Bovendien verbreedt het antistollingscentrum de kennis van alleen VKA-zorg zoals dat nu bij de trombosediensten beschikbaar is, naar kennis over alle antistollingszorg. “Daarmee verdwijnt uiteindelijk het instituut trombosedienst en heb je te maken met een antistollingscentrum dat centraal georganiseerd is en dat de lokale ketenpartijen ondersteunt zodat zorg dicht bij de patiënt geleverd kan worden”, aldus Tenthof. De zorg dichter bij huis en minder belasting voor de patiënt zijn heel belangrijke voordelen van deze nieuwe manier van werken.

Trombosediensten pakken de handschoen op
Kwartiermaker Tenthof stelt dat de uitdaging van elke verandering in de zorg is, dat er niet één iemand eindverantwoordelijk is. “Iedereen kijkt naar iedereen.” Bij het RAMO hebben de betrokken trombosediensten zelf de handschoen opgepakt, wat onder andere heeft geleid tot een position paper ; een eerste beschrijving van het plan dat antistollingscentrum RAMO heeft gemaakt. “Het position paper heeft onder meer geholpen om onze achterban mee te krijgen, zoals de betrokken trombosediensten, de patiënten en de zorgverzekeraars. Zo heeft bijvoorbeeld de landelijke Cliëntenraad Trombose Diensten ingestemd met het position paper. Overigens zit deze cliëntenraad al langer bij ons tafel, want zij kunnen onder andere aangeven wat patiënten nodig hebben.”

In vroeg stadium optrekken met zorgverzekeraars
Het position paper is ook gedeeld met alle zorgverzekeraars. “Aansluitend daarop hebben we bij de zorgverzekeraars opgehaald wat hun vragen zijn voor de business case zodat je aan de voorkant al samen optrekt, overlegt en elkaar informeert waardoor het proces niet daarna vertraging oploopt.  De business case is het vervolg op het position paper. Daar staat in hoe we het RAMO vorm willen gaan geven.” Het is de bedoeling dat het RAMO de eerste versie van de business case in september van dit jaar presenteert.

Informatie delen met andere trombosediensten
Het RAMO wil graag een inspiratiebron zijn voor andere nog op te richten centra en deelt daarom veel informatie met trombosediensten in ander regio’s. “Het position paper hebben we gedeeld met alle trombosediensten die lid zijn van de Federatie van Nederlandse Trombosediensten (FNT). De antwoorden op de vragen die we bij zorgverzekeraars hebben gesteld ten behoeve van de business case, hebben we verzameld en geanonimiseerd. Dit is een tijdrovend proces van minimaal 60 uur geweest. Het resultaat hebben we vervolgens gestuurd naar alle betrokken partijen in Nederland, waaronder de leden van de Federatie van Nederlandse Trombosediensten, zodat ze dat niet zelf hoeven uit te zoeken. Ook informatie over het proces dat RAMO volgt, is gedeeld met de leden van deze federatie. We moedigen andere trombosediensten aan om ook in actie te komen en kennis te delen.”

Richtlijnen en protocollen
Alle neuzen dezelfde kant op krijgen, mensen vroeg erbij betrekken en informeren, dat is heel belangrijk om een dergelijke verandering voor elkaar te krijgen, is de overtuiging van RAMO-kwartiermaker Tenthof. Christel Robben, productexpert bij Menzis, heeft wat dat betreft ook goede ervaringen met dit antistollingscentrum: “Gijs Tenthof heeft goede contacten met zorgverzekeraars en doordat hij veel informatie deelt, krijgt hij ook veel informatie van de zorgverzekeraars. Dat kan dit project tot een succes maken. In plaats van dat je achteraf iets presenteert is er nu in gezamenlijkheid een toekomstvisie gemaakt in de vorm van het position paper.”   

Robben licht ook toe waarom zorgverzekeraars positief zijn over het RAMO: “Ze houden zich naast het verlenen van zorg en begeleiden van patiënten ook bezig met richtlijnen en protocollen. Dat is nodig om de kwaliteit van deze zorg te borgen. De Federatie van Nederlandse Trombosediensten deed dat vroeger voor de klassieke medicatie VKA. Met de komst van het nieuwe medicijn DOAC is er nergens een toezichtsorgaan of protocol voor de totale antistollingszorg. Om goede kwaliteit in te kunnen kopen zijn controle op naleving van (landelijke) richtlijnen en protocollen belangrijke voorwaarden in het contracteerproces van zorgverzekeraars. Sinds de komst van het nieuwe medicijn DOAC was dat heel erg versnipperd. Het is een goede zaak dat het RAMO niet alleen bezig is om de zorg meer bij de huisarts te krijgen maar ook dat de huisarts één aanspreekpunt krijgt. Hetzelfde geldt voor de patiënten die informatie nodig hebben. Dat moet goed geborgd zijn. Zorgverzekeraars vinden dat een voordeel, omdat ze het belangrijk vinden dat de huisarts zijn nieuwe taak goed kan uitvoeren. Daarnaast blijft de communicatie tussen huisarts, cardioloog of internist en RAMO behouden in dit regionaal antistollingscentrum en lost het RAMO de huidige versnippering op.”

Overgangsjaren
Het Regionaal Antistollingscentrum Midden-Oost Nederland is momenteel nog in oprichting, 2020 en 2021 worden overgangsjaren. “Op 1 januari 2022 hopen we dat het RAMO grotendeels werkt zoals we het nu beogen” blikt kwartiermaker Tenthof vooruit. Hij voegt daar nog aan toe dat meer trombosediensten in dezelfde regio al hebben aangegeven dat ze interesse hebben om op termijn bij het RAMO aan te sluiten.