computer-19b8ce72-f4f5-4aa3-abed-d67176b09c76.jpg
Informatie & Uitvoering

Aan informatie over de GGZ wordt hard gewerkt

Eind mei gaven wij in een brief aan de Tweede Kamer aan dat wij het belangrijk vinden om het tempo hoog te houden bij het transparanter maken van de GGZ. Tegelijkertijd constateerden we ook dat de GGZ-sector belangrijke acties onderneemt om de transparantie over de (kwaliteit van de) geleverde zorg te vergroten. Vorige week presenteerden ZN en Vektis de resultaten van verschillende praktijkvariatiestudies in de GGZ. Ook deze resultaten bevestigen: er zit schot in.

Ik wil het nog maar eens benadrukken: goede, betrouwbare informatie over kwaliteit van zorg, en liefst nog over uitkomsten van zorg, helpt zowel zorgaanbieders als zorgverzekeraars om patiënten en verzekerden de beste zorg te bieden. Zorgaanbieders kunnen zich op basis van kwaliteitsinformatie spiegelen en zo nodig de zorg voor hun patiënten verbeteren. Zorgverzekeraars kunnen op basis van kwaliteitsinformatie afspraken met zorgaanbieders maken over de zorg, de beste zorg voor hun verzekerden inkopen én hun verzekerden hierover beter adviseren.

Informatie beschikbaar bij zorgverzekeraars willen we daarbij zo goed mogelijk benutten. Vektis heeft, op basis van de declaratiegegevens 2013, praktijkvariatie in beeld gebracht voor angst- en stemmingsstoornissen, bipolaire stoornis, depressie, persoonlijkheidsstoornissen, schizofrenie, verslaving aan alcohol en overige middelen, en overige stoornissen. In oktober 2014 hadden we een vergelijkbare bijeenkomst. Belangrijke constatering vind ik dat we sindsdien weer een grote stap verder zijn. Er zijn meer data beschikbaar, de data zijn beter aan elkaar gekoppeld en per regio zijn er meer getallen. Er is meer informatie over de ernstige psychiatrische aandoeningen (EPA), de doelgroep waarvoor het ambulantiseringstraject en de beddenafbouw is ingezet. En: de informatie is nu voor zorgaanbieders en zorgverzekeraars toegankelijk via het webportaal van Vektis: Zorgprisma.

Rapportages in Zorgprisma zijn zo opgebouwd dat zorgpartijen eigen gegevens kunnen vergelijken met de landelijke gegevens. Zorgaanbieders en zorgverzekeraars kunnen die data eruit halen die voor hen van belang zijn. Op basis daarvan kunnen zij samen mogelijke verschillen duiden en het gesprek aangaan over de zorginkoop. Doordat er nu data van meerdere jaren beschikbaar zijn, namelijk van 2011 tot en met 2013, kunnen we ook trends ontdekken, zoals bijvoorbeeld of er sprake is van substitutie.  

Interessant vond ik eveneens tijdens de presentatie van Vektis dat ook de centrumgemeenten, onder de vlag van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, interesse hebben in de Zorgprisma-gegevens. In Zorgprisma staat immers informatie over de zorg die door de zorgverzekeraars betaald is en nu over is gegaan naar gemeenten.

Ook met de data in Zorgprisma zijn nog stappen te maken. Belangrijke ontbrekende factoren zijn nog (1) informatie over de zorgvraagzwaarte, (2) een koppeling met ROM-data van Stichting Benchmark GGZ en (3) data op integraal patiëntniveau. De data zouden eigenlijk de patiënt door het zorgstelsel moeten volgen.

  1. Op dit moment zien zorgverzekeraars op de declaratie alleen de hoofddiagnose, bijvoorbeeld depressie. Ze kunnen niet zien of het behandeltraject van de patiënt daadwerkelijk aansluit bij de behoeften van de patiënt. Een zorgvraagzwaarte-indicator vertelt ons hoe ‘zwaar’ de zorgvraag van de patiënt is. De ene depressie is nu eenmaal anders dan de andere, en vraagt ook meer of minder behandeling. Als we de gegevens in Zorgprisma kunnen corrigeren met deze zorgvraagzwaarte-indicator dan geeft dat meer inzicht.
  2. Ook de uitkomst van de behandeling is niet zichtbaar op de declaratie. De ROM-data geven deze informatie wel. Als we de ROM-data toevoegen aan Zorgprisma kunnen we dus ook meer zeggen over de effectiviteit van de behandeling.
  3. Tot slot zijn alle data nu nog alleen beschikbaar op instellingsniveau. Door de koppeling op patiëntniveau te leggen kunnen we bijvoorbeeld zien of de samenwerking tussen verschillende GGZ-aanbieders goed verloopt. Of dat een GGZ-patiënt mogelijk bij de ene instelling wordt ontslagen en bij de andere instelling weer in zorg wordt genomen.

Goed nieuws is dat deze drie stappen ook gezet gaan worden. De verwachting is dat we eind van het jaar ook over deze informatie kunnen beschikken in Zorgprisma. Waarbij ik overigens nog wel wil opmerken dat gegevens nooit tot individuele patiënten te herleiden zijn. Privacy is ten alle tijden gewaarborgd. Vektis heeft daarom de status van een Trusted Third Party (TTP) en is als zodanig beoordeeld door het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP).

Aan transparantie in de GGZ wordt dus echt hard gewerkt. Zorgaanbieders werken dag in dag uit hard aan het herstel van hun patiënten. Zorgverzekeraars willen graag kwalitatief goede en doelmatige zorg voor hun verzekerden inkopen. Door elkaar te respecteren in ieders  rol kunnen we veel beter samenwerken in het belang van patiënt en verzekerde.

Marianne Lensink, directeur Zorg bij ZN